Fietsrondje Brussel

De Groene Gordel, een fietsroute rond Brussel, is Vlaanderen op zijn best. Heuvel op, heuvel af, van zonnestudio naar duivenkot en van wachtgevel tot geuzebrouwerij.

Het is bijna kwart voor zes in de middag en met lood in onze schoenen staan Liesbeth en ik voor de deur van Huize Dumberg, onze Bed&Breakfast in Hoeilaart. Daar, aan de andere kant van de deur in de lange, koele gang die naar de knaloranje eetkamer leidt, staat een hele boze gastvrouw. Op dit moment is ze waarschijnlijk bezig met de generale repetitie van haar tirade met als toehoorder haar zwijgzaam luisterende echtgenoot Pierre, en hij zal haar, met de kat op schoot en een instemmend knikje, gelijk geven. Want die twee Hollanders, hoe halen ze het in hun hoofd om uren te laat te komen. Alsof ze in Huize Dumberg niet wat beters te doen hebben dan wachten op die eigenwijze noorderlingen. Ze hadden hun visite nu toch voor niks uit wandelen gestuurd en vader van 94 werd gebeld dat ze morgen maar weer zouden komen, want er konden elk moment twee fietsers uit Ne-der-land inchecken in de bed & breakfast. En dan de appeltaart. De appeltaart! Helemaal ingezakt stond die op het aanrecht te verpieteren. Ook de appeltaart was de hele middag al aan het wachten. Nou, die eten ze nu dus maar mooi koud en al op.
Hoe we al weten dat Kristins humeur danig verpest is, dat zit zo. Twee uur eerder belden we haar, ook vanuit Hoeilaart, maar dan aan de andere kant van het dorp. Dat klinkt dichtbij maar om van de ene kant van Hoeilaart naar de andere kant te komen, moet je je eerst als een baksteen de diepte instorten om vervolgens met het zuur in je benen je weer een weg omhoog te ploegen. Om maar te zeggen, de heuvels in Vlaams-Brabant kunnen steil zijn. We zaten aan een Duvel bij Norbert van Herentals. Negenentachtig lentes jong maar nog elke dag in zijn serres druiven aan het telen. Niet om te drinken, want wijn is geen bier, nee, tafeldruiven. De laatste serrist van Hoeilaart liet ons de Duvel zelf inschenken. ‘Kijken of jullie dat een beetje kunnen.’ En toen vertelde hij over de roemruchte druivengeschiedenis van zijn dorp en dat hij nog elke zomer zelf op de markt stond. Met een beetje hulp van zijn dochter, dat wel.

Norbert d’n babbelaar

Op dat moment moest hij nog aan zijn rondleiding door z’n serres beginnen. Kassen, zeggen we boven Moerdijk. Waar het binnen lekker warm en vochtig is en de druiven zo groen zijn dat ze wel nep lijken. Met een klein schaartje knipt hij dan de zwakke druiven er tussen uit zodat er dikke, grote, volle, groene trossen overblijven. Toen Norbert hoorde dat we eigenlijk veel te laat bij Kristin en haar B&B zouden aankomen, schudde hij z’n hoofd. ‘Kristin, da’s een strenge, die was lerares vroeger. Zeg haar maar: “d’n Norbert is een babbelaar, daar kwamen we zomaar niet weg.” Misschien dat dat helpt.’ En hij stiefelde weer terug van de serre naar z’n huis, handen netjes op de rug, om de rest van z’n Duvel op te drinken. Maar het hielp niet. Waar we eerst om twee uur in de middag bij Kristin zouden aanbellen – toen de appeltaart nog warm was – werd het vier uur en toen belden we ook nog vanuit Norbert z’n serre om te zeggen dat het allemaal weer wat uitliep. Nou, straf door de telefoon. De eerste uitbrander was een feit en we hadden elkaar de hand nog niet eens geschud.
En nu drukt Liesbeth op de deurbel.
Het duurt niet lang of de deur gaat met een grote zwier open. En jawel, het begint direct met stormen. De gifgroene legosteentjes in Kristins oren dansen routineus mee op het ritme van haar boosheid. Maar onder het witgrijze piekhaar en achter haar uilenbril schuilt een paar lieve ogen. Het zorgt voor een wonderlijke combinatie. Terwijl ze ons de les leest worden we hartelijk ontvangen –‘koffie, thee? Suiker en melk? Nou, kom verder.’ Pierre zet twee flinke stukken appeltaart voor onze neus. ‘Ja, koud’, zegt Kristin. ‘Warme taart kunnen jullie vergeten.’

 

We waren bíjna thuis

Nog napruttelend zit Kristin nu tegenover ons aan tafel. Ze had al even met de Dienst Toerisme gebeld, of die misschien wisten wat die twee Nederlanders op hun fiets allemaal aan het uitspoken waren. En zo wist ze dat we diezelfde ochtend een afspraak hadden bij Belevingscentrum van de geuzebieren ‘De Lambiek’ in Alsemberg. Hoe we dat dan hadden gevonden?
Ai.
Wederom een slechte beurt. Met een mond vol koude appeltaart moesten we bekennen dat we daar niet waren geweest. Maar Jef Lippens, die ons zou ontvangen en alles zou vertellen over de beroemde geuzenbieren uit de streek, hadden we wel verwittigd, zo netjes waren we dan ook wel weer. De reden: een geusje te veel de avond ervoor. Dat was helemaal niet het plan, want zondagavond in Beersel leek ons nou niet de aangewezen avond om eens even flink de bloemetjes buiten te zetten. Maar wel voor Wim uit Knokke. Samen met zijn vrouw, en zoontje, en iets wat leek op een bevriend stel, zat hij uitgebreid te dineren in restaurant Drie Fonteinen. Asperges, Lambiekbieren, flessen wijn, het kon allemaal niet op. Toen hij ons – Liesbeth – zag zitten, besloot hij maar eens een praatje aan te knopen. Met een hand op haar schouder vertelde hij over van alles en nog wat. En dat terwijl Frank Sinatra luidkeels uit de speakers schalde. Daarna Herman Brood en vervolgens Hazes. Met Herman Brood zat Wim ooit nog eens in Paradiso backstage te roken en te drinken. Vóór zijn optreden. ‘Hij was een uur te laat voor zijn eigen show en ik ook, want we waren samen.’ Wim deelde zijn visitekaartje uit. ‘Maar ik ga u niet gemakkelijk terugmailen.’ Hij moest maar weer eens terug naar z’n gezelschap. Zijn vrouw stond inmiddels met een fles wijn aan haar mond op tafel te dansen en dat leek hem ook wel wat. Dus de vriendelijke groeten en veel plezier nog op die fietsvakantie van jullie. Liesbeth was nog benieuwd of het een Vlaamse gewoonte is om op zondagavond laat nog uitgebreid op café te gaan, in Beersel nota bene. Wim ging er eens goed voor staan en dacht na over de reden waarom hij hier nu was, op dit tijdstip. Hij zuchtte diep. ‘Pfoaah, we waren bíjna thuis.’
Thomas, eigenaar van de tafels waar nu op gedanst werd, zat naast ons en bekeek de situatie eens vanachter zijn glas bier. Het deed hem weinig. ‘We hebben hier wel eens gekkere dingen meegemaakt. Nog eentje dan maar? Ik breng jullie straks wel thuis.’



Wachtgevels en sterrenrestaurants

Je zou bijna vergeten dat we in hier in Vlaanderen ook nog gefietst hebben. Om bij het begin te beginnen, ook al is dat inmiddels halverwege, we pakten op zaterdag de stoptrein van Antwerpen naar Vilvoorde. Passeerden Mortsel, Kontich en Eppegem en haalden op het station twee fietsen op. Vilvoorde is een sombere stad, het lijkt vooral gebouwd om de mobiliteit van en naar Brussel in goede banen te kunnen leiden. Zo heb je er viaducten waar je vanaf kunt springen en rails waar je op kunt liggen. Via een knooppuntenroute, een simpel systeem dat wij pas op de laatste dag onder controle kregen, belandden we in Grimbergen, waar we een Grimbergen dronken. Met zicht op de abdij in de zaterdagmiddagzon. We stopten bij de Nationale Plantentuin van Meise waar het gras werd opgevrolijkt door duizenden madeliefjes en kwamen ’s avonds moegestreden aan in Sint-Martens-Bodegem. Ook al te laat, want we hadden geen rekening gehouden met de heuvels, die elkaar opvolgden tot ver na de horizon. Dat was leuk naar beneden, maar we moesten elke keer ook maar weer omhoog zien te komen. En omdat ik op de eerste ochtend onze knooppuntenfietskaart al was kwijtgeraakt, gebruikten we Google-maps op Liesbeth d’r telefoon. Dat ging over het algemeen goed, maar soms werden we ook dwars door een weiland gestuurd of over de binnenplaats van een manege. Ondertussen raakte onze verbazing maar niet op over de halve huizen die we onderweg tegenkwamen. Alsof er halverwege de bouw werd besloten ‘het is eigenlijk wel goed zo. Laat de boel maar lekker staan.’
‘Wachtgevels’, vertelde Thomas van Drie Fonteinen ons later. Heel gewoon in Vlaanderen. En zo ver zaten we er niet naast met onze theorie. ‘Het zijn stuk voor stuk huizen die in hun bestemmingsplan hadden staan dat er nog een huis aan vast gebouwd zou worden. Maar dat is er nooit van gekomen, want tsja, Vlaanderen en bestemmingsplannen.’ Thomas wist ons ook te vertellen dat Bistro Margaux in Sint-Martens-Bodegem, waar we zaterdagavond vingerlikkend lekker hadden gegeten en de allerlekkerste wijnen voor onze neus werden neergezet, een Michelin-ster had. Daar hadden we in onze vermoeidheid even niet op gelet. Hadden we Thomas maar eerder ontmoet op deze trip, dan hadden we alles een stuk sneller begrepen.

 

Van Gaasbeek naar Oud-Beersel

Op zondag regende het stront, om het maar eens in fatsoenlijk Vlaams uit te drukken. Dit was geen Vlaanderen voor beginners. Verwacht op het parcours van de Groene Gordel niet een rustiek Begijnenhofje zoals in Brugge of de Grote Markt van Leuven vol gezellige biercafés. De schoonheid van deze fietsroute zit hem in de ontelbare zonnestudio’s onderweg en kotten vol roekoeroekoerende wedstrijdduiven. De ramen en rolluiken die altijd potdicht zitten, en bushaltes die ‘Het Rusthuis’ heten. Zeiknat kwamen we aan bij Kasteel Gaasbeek, dat er dan wel weer prachtig bij lag. Verscholen in het groen en van binnen opgekalefaterd met wisselende kunsttentoonstellingen, om zo de boel een beetje levendig te houden. Toen we, opgedroogd en wel, onszelf weer in het zweet werkten bergop naar brouwerij Oud-Beersel, werden we beloond met een mini-college in de Lambiekbieren. Gert Christiaens doceerde over de spontane gisting en de eikenhouten vaten waar het bier op ligt te rijpen. Ouder bier vind je niet, maar minstens zo mooi is het verhaal van Gert zelf. Die kwam er jaren geleden, aan de toog in een Brussels café, achter dat Brouwerij Oud-Beersel zou gaan sluiten. Niet in Gerts wereld. Dus hij zegde z’n baan op en kocht de brouwerij, die er nu weer helemaal bovenop is. Nou goed, daarna vond de fatale avond met Thomas en Wim plaats en de maandag erop met een hoofd van hout en benen vol pap. Met Huize Dumberg als grootste slachtoffer.

Twee klavertjes vier

Kristin hoort het allemaal met lede ogen aan, daar aan haar grote houten keukentafel in Hoeilaart. Ze gaat over tot het noteren van onze ontbijtwensen en dan volgen de huisregels. De belangrijkste: geen herrie na tienen. En wee degene die haar of Pierre ’s nachts wakker zal maken. Die kan het ontbijt wel op z’n buik schrijven. ‘Jullie zien het morgen vanzelf. Als er verse sinaasappelsap staat en koffie en een gekookt eitje, dan is het allemaal goed gegaan. Anders: droog brood!’
De volgende ochtend staat de ontbijttafel uitgebreid gedekt. Geslaagd voor de test, dat is ook wel eens lekker. Het stemt Kristin tot grote tevredenheid. Ze neemt met ons de route voor de laatste etappe door. Via Jezus-Eik naar Tervuren en dan rij je langs de luchthaven van Zaventem zo Vilvoorde weer tegemoet. En dan wenkt ze ons naar buiten. ‘Hier, deze zijn voor jullie.’ Uit een pot vol klavertjes vier plukt ze twee puntgave exemplaren. ‘De eersten die Huize Dumberg verlaten. Die kunnen jullie wel gebruiken, als ik het zo allemaal inschat. Dat het maar een dag vol zonneschijn en zonder tegenslag en vertraging mag worden.’ En we hebben ons ook nog eens keurig gedragen hier, dus we mogen toch best nog eens een keertje terugkomen. Als we maar een gsm-nummer achterlaten zodat ze ons ook kan bereiken en weet hoe laat we zullen aankomen. Dan staat de appeltaart klaar. Warm.


Dit verhaal verscheen eerder in REIZ& Magazine en werd bekroond met de Persprijs Toerisme Vlaanderen & Brussel 2016.