De glimlach van Gambia (alleen nu even niet)

Gambianen hebben van glimlachen hun nationale sport gemaakt. Een zin uit mijn oorspronkelijke inleiding. Maar met een president die weigert op te stappen en een recent negatief reisadvies van het Belgische én Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, lacht het kleinste en vrolijkste land van Afrika nu even niet. In de hoop dat het reisadvies snel weer verandert, publiceren we ons reisverslag van ‘The Smiling Coast of Africa’.

Aan de rand van de zandweg tussen de luchthaven en ons hotel verkopen kleurrijk geklede vrouwen vers fruit, terwijl een vermoeide man op ezelskar in drafje voorbij sjokt en ik een geit aan een leiband zie wandelen. De kinderen op straat roepen ‘toubab’ naar ons busje, dat voor de gelegenheid – een persreis naar Gambia – gevuld is met vijf bleekscheten, toubabs dus. Het moge duidelijk zijn: we zijn in West-Afrika beland. In Gambia om precies te zijn, met een derde van de oppervlakte van België het kleinste land van heel Afrika, maar wel eentje met grote ambities. “Laat de Belgische toeristen maar komen”, lacht onze jonge gids Mamou, die zijn tanden met Dash bewerkt lijkt te hebben – witter dan wit. Het toerisme in Noord-Afrika ligt nog steeds op haar gat en niet iedere Belg heeft zin om een avontuur in Egypte of Tunesië in te ruilen voor een strandsessie aan een Spaanse Costa of een autovakantie naar Frankrijk. En dan duikt Gambia plots op, een minuscuul land dat aan drie kanten geknuffeld wordt door Senegal, nog vlakker is dan Nederland (hoogste punt: 46 meter) en een kustlijn van slechts enkele tientallen kilometer heeft. En toch is dit een land met enorme toeristische mogelijkheden: een subtropisch klimaat op zes uur vliegen van Brussel (niet veel langer dus dan naar pakweg Sharm-el-Sheikh), goudgele – vaak verlaten – stranden, een uitermate vriendelijke bevolking (en geloof ons: dit is niet overal in West-Afrika het geval), weelderige natuurparken vol exotische diersoorten en een cultuur zo kleurrijk als een lokale smaragdpurperkoet (ongetwijfeld bekend bij de vogelaars onder u). Na een paar uur in Gambia is mijn eerste vooroordeel al weggesmolten: dit is niet enkel een land voor oudere blanke vrouwen die zich willen laten verwennen door gestroomlijnde en vingervlugge beach boys. Hoewel dit fenomeen hier uiteraard wel aanwezig is.

Na een paar uur in Gambia is mijn eerste vooroordeel al weggesmolten: dit is niet enkel een land voor oudere blanke vrouwen die zich willen laten verwennen door gestroomlijnde en vingervlugge beach boys.

“Mag ik haar hebben?”

Dat ik me als man ook kan laten inpakken door zwetende zwarte lijven, merk ik ’s anderendaags wanneer Mamou ons door de poorten loodst van de tot de nok gevulde worstelarena van Serekunda, met zo’n 400.000 inwoners de grootste stad van het land. Plots sta ik ook in oog met een uitzinnige sjamaan, volledig verkleed, versierd en geschminkt. “Dit is niet de worstelaar zelf”, legt Mamou uit. “Deze ‘wezens’ worden gebruikt om indruk te maken op de tegenstander.” Of die effectief onder de indruk zijn, lijkt me sterk. De lokale kolos en lieveling van het publiek lijkt er zich alleszins niet druk in te maken en is meer aangetrokken tot mijn fototoestel. Ik glunder. In veel islamitische landen is de plaatselijke bevolking niet zo gek op de camera, maar in Gambia bieden zowel mannen als vrouwen zichzelf om de haverklap als amateurmodel aan. Ondertussen joelt het publiek wanneer één van de worstelaars aan zijn dans begint. “De dans is een zeer belangrijk onderdeel van het worstelen. Ook daarmee moet je punten scoren.” Ik probeer zelf een Afrikaans dansje uit mijn billen te schudden, maar krijg als ‘toubab’ enkel de lachers op mijn hand. Ik ben meteen blij dat ik ook het worstelen aan me voorbij kan laten gaan. Er lopen hier mannen rond met dijbenen even breed als mijn torso. Maar sfeervol is het wel. Door de luidsprekers galt de stem van een opgewonden jurylid die zowel het publiek als de worstelaars ophitst. De politieagent naast me is ook van zijn melk, maar niet van de worstelmatch. “Die blanke vrouw naast je, mag ik haar hebben? Ah, ze is getrouwd. Jammer. En die daarnaast? Met haar wil ik kinderen maken. Kun jij dat voor me regelen? Ik val niet op zwarte vrouwen, zie je.”

Van Gent naar Galloya

Dieper het binnenland in, waar de machtige Gambiarivier die het land in twee oevers verdeelt steeds smaller wordt, gaat het er een stuk rustiger aan toe. In het dorpje Kassagne heeft de Nederlandse Carlijn samen met haar man Abdoul een simpele lodge opgezet die een diepe ‘Out of Africa’-sfeer oproept. Terwijl ze uitlegt hoe ze hier terecht is gekomen, slingeren apen boven onze hoofden van boom tot boom en zoeken bontgekleurde vogels in de palmbomen naar voedsel. Ook dit is Gambia: mangroves en palmbomen zover het oog reikt en totale rust langs het warme rivierwater. “Veel toeristen uit Nederland en Engeland boeken een pakketreis naar Gambia, maar weten niet dat er ook in het binnenland hele fijne overnachtingsmogelijkheden zijn die weinig kosten.” Ook gids Mamou – zelf afkomstig uit het binnenland – vindt dat jammer. “Aan toeristen die enkel hun geld spenderen in grote hotels aan de kust, hebben wij weinig. We willen vooral laten zien dat Gambia veel meer is dan die paar kustresorts.” Zo denkt ook Lawrence Williams, de Britse eigenaar van Mandina River Lodge in Makasutu erover. Hij bouwde hier samen met zijn oom een vijftiental luxueuze eco-lodges in de wildernis van het Makasutu Culture Forest, een spiritueel woud waar we theedrinkende mannen en cashewnootplukkende kinderen aantreffen. In één klap de meest typische bezigheid in en het belangrijkste exportproduct van Gambia. Maar dan, tot mijn grote verbazing, spot ik in het woud een stuk street art dat aan de stijl van Gentenaar ROA doet denken. “Dat is effectief een ROA”, lacht Lawrence. “In het kader van mijn project ‘Wide Open Walls’ heb ik de laatste jaren heel wat bekende street artists naar Gambia gehaald om gevels van huizen te beschilderen. Ga maar eens een kijkje nemen in het dorpje Galloya. Daar vind je een aantal zeer mooie werken van ROA, hoewel er ook al wat muurtjes ingestort of vervangen zijn.” De Brit heeft niet gelogen. Ik spot een olifant, een vogel en een mangoeste die met een slang worstelt; overduidelijk tekeningen met het signatuur van ROA. Maar de werken van de andere artiesten zijn minstens even indrukwekkend. Of de dorpsbewoners ook beseffen wat de ‘street art’-waarde van hun dorpje is, wordt me niet meteen duidelijk. Ik sta alleszins met open mond naar het project te kijken.

Kunta Kinteh

Omdat de noordelijke oever van Gambia volgens Mamou ook onze aandacht verdient, zetten we de volgende dag koers richting ferry in hoofdstad Banjul, die heerlijk op zijn Afrikaans volgestouwd wordt: tot er echt geen vierkante centimeter meer onbedekt is. Een dik uur later meren we alweer aan en is het uitzicht van het land compleet veranderd. Al het zand maakt duidelijk dat we ons hier vlak onder de Sahara bevinden, van een groen bladerdek is er nauwelijks nog sprake. Na nog eens anderhalf uur rijden over zandweggetjes komen we eindelijk aan in Juffureh, dat als toeristisch dorpje volledig in het teken staat van de vreselijke slavengeschiedenis van het land. Hier nemen de meeste toeristen de boot naar Kunta Kinteh Island, een piepklein eiland in de Gambiarivier waar Kunta Kinteh – vermoedelijk ’s werelds meest bekende slaaf – twee weken lang opgesloten zat alvorens hij naar de Verenigde Staten gedeporteerd werd. De achtste generatie Kinteh woont zelfs nog in een compound in het naburige dorpje en kan in ruil voor wat snoepjes voor de kinderen en de aanschaf van een gekopieerde brochure eventjes bezocht worden. Het ietwat teleurstellende slavenmuseum in de buurt legt toch net iets beter uit wat de slaven in de 18de, 19e en begin 20ste eeuw allemaal moesten doorstaan om heelhuids aan de andere kant van de wereld terecht te komen. Fraai is het niet. Net zoals de aanblik van de aap met doorgesneden keel die enkele dorpskinderen even later rond zich dragen als een handtas. Lunch, volgens onze gids.

Banjul Belly

Terug aan de zuidkant van de rivier moeten ook de toubabs voor hun eigen eten zorgen. Samen met Ida Cham, die kooklessen geeft, schuimen we het strand van Tanji af, waar het een drukte van jewelste is. De geuren – gerookte vis, rottende vis, verse vis, verse groenten, schijtende meeuwen, duizenden mensen – slaat me in het gezicht. “Dit is onze grootste dagmarkt”, vertelt Ida, die manden vol verse groenten en vis koopt om een traditionele ‘benachin’, een soort lokaal stoofpotje, te koken. In haar huis even verderop wordt alles gewassen, gepeld en gesneden voordat het de kookpot in verdwijnt. Zelf ben ik op dat moment ook al verdwenen, ook naar de pot, vanwege een lichte vorm van Banjul Belly, een ongemak dat in mijn geval hoop en al twee uur duurt en vermoedelijk meer te maken heeft met een watertekort dan met fout voedsel. “Ik heb jullie nog zo gewaarschuwd”, zegt Mamou serieus. “Veel water drinken! De zon schijnt hier feller dan bij jullie.” En laat dat nu net de reden zijn waarom wij graag naar Gambia komen, Mamou.


Zelf gaan?

Brussels Airlines vliegt vier keer per week naar Gambia, telkens met een korte tussenstop in Dakar, Senegal. Sinds eind oktober vliegt ook TUI Fly twee keer per week naar Banjul, de hoofdstad van Gambia (alleen nu even niet).

Beste reistijd: tussen oktober en mei.

In Gambia zijn er hotels en lodges voor ieders budget te vinden. De absolute top aan de kust is het vijfsterrenhotel Ngala Lodge, prijzen vanaf 220 euro per nacht.
Langs de rivier, meer het binnenland in, is Mandina River Lodge (vanaf 275 euro per nacht) een aanrader voor de luxereiziger.

Een uitstekend middenklassehotel is het Lemon Creek Hotel, mooi gelegen aan zee en de ideale plek voor uitstapjes naar de rest van Gambia.

Wie op een kleiner budget reist – of gewoonweg op zoek is naar rust en ontspanning – kan terecht in AbCa’s Creek Lodge (vanaf 40 euro per nacht).

Meer toeristische info over het land: www.visitthegambia.be

 

No more articles