Aards paradijs zoekt toeristen

Op een slordige 17.000 kilometer van Brussel/Amsterdam, vakkundig verscholen tussen de Australische oostkust en de internationale datumgrens ligt Nieuw-Caledonië te schitteren onder het Zuiderkruis. De paradijselijke Franse archipel – officieel een Collectivité sui generis – is één van ’s werelds meest idyllische bestemmingen, maar van (massa)toerisme is vreemd genoeg nauwelijks sprake.

Met honderden kilometers aan verlaten hagelwitte zandstranden, weelderige jungles vol kleurrijke dier- en plantensoorten, ruwe hoogvlaktes en vruchtbare valleien, een adembenemende onderwaterwereld en een immer glimlachende bevolking loopt de toeristische kokosnoot van Nieuw-Caledonië over van zinnenprikkelende zoetheid. Maar tegen alle verwachtingen in zijn de toeristen zelf nergens te bespeuren. De Melanesische archipel, nochtans de derde grootste eilandengroep in de Stille Zuidzee (Na Nieuw-Zeeland en Papoea-Nieuw-Guinea), is voor de meeste Europese reizigers een nobele onbekende. Een korte enquête – één enkele vraag: waar ligt Nieuw-Caledonië? – bij vrienden en familie leverde een hoop gefronste wenkbrauwen en slechts één min of meer correct antwoord op. Bij dezen mag ik meteen bekennen dat ook ik Google Maps nodig had om de juiste locatie te bepalen: ten oosten van Australië, ten noorden van Nieuw-Zeeland, ten westen van Fiji en ten zuiden van Vanuatu.

Nieuw-Schotland

Nieuw-Caledonië, toen nog naamloos, werd in 1774 ontdekt door de onvermijdelijke zeebonk James Cook, die eerder al Nieuw-Zeeland claimde als Brits grondgebied en later zijn naam doneerde aan de nabijgelegen Cookeilanden. De ontdekkingsreiziger, die duidelijk beter was in ontdekken dan in het bedenken van originele namen, doopte zijn nieuwe vondst ‘Nieuw-Caledonië’. De noordoostkust van het hoofdeiland – nu Grand Terre genaamd – deed hem namelijk denken aan Schotland (Caledonia is de oude Romeinse naam voor Schotland). ‘Wishful thinking’ noemt men dat. Of misschien hallucineerde de ontdekkingsreiziger wel van de scheurbuik. Want als Schotland er zo tropisch, zonnig en exotisch uit zou zien, had ook een vlucht van anderhalf uur kunnen volstaan om het aards paradijs te bereiken. Nu moest ik me neerleggen bij twee akelig lange vluchten van respectievelijk elf uur naar het Japanse Osaka en negen uur naar Nouméa, de hoofdstad van Nieuw-Caledonië. Het mooiste stukje Frankrijk ligt letterlijk aan het andere eind van de wereld.

Een derde van al die inwoners woont in de hoofdstad Nouméa dat een charmante mix van Frankrijk en Melanesië etaleert: paradijselijke baaien vol palmbomen geflankeerd door elegante gebouwen, toprestaurants die de Franse gastronomie gekoppeld hebben aan lokale lekkernijen, tegelijkertijd gesofisticeerd en ongecompliceerd, klassevol en casual.

Nieuw-Caledonië is ongeveer half zo groot als Nederland en vormt de thuishaven van zo’n 270.000 Kanaks (de originele bewoners), Europeanen (vooral Fransen) en Polynesiërs (voornamelijk inwijkelingen uit Wallis en Futuna en Tahiti). Een derde van al die inwoners woont in de hoofdstad Nouméa dat een charmante mix van Frankrijk en Melanesië etaleert: paradijselijke baaien vol palmbomen geflankeerd door elegante gebouwen, toprestaurants die de Franse gastronomie gekoppeld hebben aan lokale lekkernijen, tegelijkertijd gesofisticeerd en ongecompliceerd, klassevol en casual. “Nouméa werd in 1854 gesticht in opdracht van Napoleon III. Enkele jaren later stuurde hij tienduizenden Franse criminelen en politieke gevangen hierheen. Net als Australië was Nieuw-Caledonië oorspronkelijk een strafkolonie”, vertelt de haast overdreven vriendelijke stadsgids Frank. Net zoals mijn hoofdredacteur me ‘gestraft’ heeft met deze opdracht. Waarvoor dank trouwens.

’s Werelds grootste lagune

De grootste natuurlijke rijkdom van Nieuw-Caledonië wordt in de heuvels van Nouméa meteen zichtbaar: de lagune. Alle eilanden van de archipel zijn omringd door koraalriffen die zich uitstrekken over een lengte van zo’n 1.600 kilometer. Hiermee ligt Nieuw-Caledonië te midden van ’s werelds grootste lagune en – na het Groot Barrièrerif – het grootste rif ter wereld. De schoonheid van de lagune is al opmerkelijk boven water, met tientallen tinten turquoise zeewater en honderden onbewoonde eilandjes voor de kust. Maar onderwater is de rijkdom nog vele malen groter. Het koraalrif biedt onderdak aan meer dan 1.000 exotische vissoorten, 6.500 ongewervelde diersoorten en een flora zo kleurrijk dat duikers en snorkelaars hun best moeten doen om hun snorkel niet uit hun mond te laten glippen wanneer hun onderkaak uit verbazing naar beneden zakt. “In het weekend trekken veel stedelingen per taxiboot naar die eilandjes voor wat ontspanning. Ze nemen voedsel en drank mee en kamperen in de natuur of slapen onder de sterrenhemel op het strand. Elk weekend kun je hier weer een nieuw eilandje ontdekken, het ene nog idyllischer dan het andere.”

Angstaanjagend mooi

Eén van de populairste toeristische uitstappen vanuit Nouméa is er eentje naar het eiland Île des Pins, dat op zo’n 20 minuten vliegen van de hoofdstad ligt, of op zo’n drie uur met de ferry. Île des Pins is een slaperig paradijs van turquoise baaien, hagelwitte zandstranden en tropische vegetatie, maar heeft door de aanwezigheid van al die pijnbomen en donkere grotten verscholen in de bossen ook een griezelig kantje. Met andere woorden: angstaanjagend mooi! Als toerist kun je hier een tocht maken met de ‘pirogue’, een traditionele zeilboot die je over een baai vol zeeschildpadden en haaien naar de jungle voert voor een korte maar avontuurlijke queeste naar het ‘piscine naturelle’ van Île des Pins. Heb je pech, dan is hier net een cruiseschip vol Australische en Nieuw-Zeelandse dagtrippers aangemeerd die dit natuurlijke zwembad met hun dikke lagen zonnecrème en schel gekweel vervuilen, maar vaak komt dat gelukkig niet voor.

Île des Pins is een slaperig paradijs van turquoise baaien, hagelwitte zandstranden en tropische vegetatie, maar heeft door de aanwezigheid van al die pijnbomen en donkere grotten verscholen in de bossen ook een griezelig kantje.

Waar je al zeker geen kolonnes toeristen tegenkomt is op Ouvéa, een van de drie ‘grotere’ Loyalty Islands in het oosten van de archipel. Cruiseschepen werden hier door de lokale overheid van Kanaks al jaren geleden verbannen wegens onherroepelijke schade aangebracht aan het koraal. Nu is het een eiland dat weggelopen lijkt uit een reclamefilmpje voor de wansmakelijke chocoladereep Bounty uit de jaren negentig. Aan de westkust van het 50 kilometer lange croissantvormige eiland ligt een wit zandstrand van maar liefst 27 kilometer lang, dat meestal volledig verlaten is. Aan de oostkust doemen verraderlijk scherpe kliffen op uit het helderblauwe zeewater. In de branding moet je hier als snorkelaar wel oppassen voor haaien, maar om eerlijk te zijn moet je dat overal in de Nieuw-Caledonische lagune. Met een tikkeltje geluk spot je hier trouwens dolfijnen en walvissen. Veel accommodatiemogelijkheden vind je op Ouvéa niet, maar aangezien een groep van vijf toeristen op het strand al als een massa wordt beschouwd, mag het geen probleem zijn om hier enkele nachten door te brengen.

Geen nood aan toerisme

Na twee eilanden en de hoofdstad te hebben verkend, blijft één vraag door mijn hoofd spoken: waar zijn al die toeristen? Nieuw-Caledonië heeft duidelijk het potentieel om ’s werelds meest bezochte en geliefde bountybestemming te worden, maar van massatoerisme is hier nog lang geen sprake. “Nieuw-Caledonië is één van de rijkste bestemmingen in de Stille Zuidzee”, vertelt Maud, een jonge Française die zes jaar geleden als boekhoudster is beginnen werken in Nouméa. “De bodem van Grande Terre zit vol nikkel, dat al sinds de negentiende eeuw uit de grond wordt gehaald. Momenteel zijn er nog drie nikkelmijnen op Grande Terre die het eiland haar enorme rijkdom hebben geschonken. Kun je je voorstellen dat ik hier veel meer verdien dan in Frankrijk? En dat de huurprijzen in Nouméa ongeveer gelijk liggen aan die van Parijs? In tegenstelling tot toeristische bestemmingen als Fiji en Tahiti is hier dus nooit echt een nood geweest aan toerisme. Langzaamaan begint nu pas het besef te komen dat de mijnen ooit zullen uitdrogen en dat er andere bronnen van inkomsten aangeboord moeten worden.”

Nieuw-Caledonië heeft duidelijk het potentieel om ’s werelds meest bezochte en geliefde bountybestemming te worden, maar van massatoerisme is hier nog lang geen sprake.

Een andere reden waarom Nieuw-Caledonië weinig Europese toeristen trekt, is omdat het zo ongelooflijk ver en duur is om er te geraken. Bovendien vliegt er slechts één vliegtuigmaatschappij vanuit het buitenland naar Nouméa: het lokale Air Calin. Vanuit Nouméa zelf kun je wel nog binnenlandse vluchten nemen met Air Calédonie, dat onder meer naar Île des Pins en Ouvéa vliegt. “De overheid is heel beschermend. Ze houden vast aan het monopolie van één vliegtuigmaatschappij, terwijl andere – zoals Qantas en Virgin Australia – interesse hebben getoond om vliegroutes te openen. Maar de overheid wil er voorlopig niet van weten. En dus trekken de meeste Australiërs en Nieuw-Zeelanders naar Fiji of Tahiti, dat veel verder vliegen, maar wel twee keer zo goedkoop is.” Voor de toeristen die het wel tot in Nieuw-Caledonië schoppen, is het wel extra genieten. In Thailand liggen dit soort stranden bezaaid met Europese en Russische tamzakken en vechten uit de kluiten gewassen resorts om het laatste stukje natuur dat nog valt om te toveren in lucratieve hotelkamerruimte. Hier heb je alle natuurlijke rijkdom helemaal voor jezelf.

Op roadtrip

Het is een boutade van formaat, maar Nieuw-Caledonië lijkt wel ’s werelds best bewaarde geheim. Wie vanuit Nouméa naar het noorden van het eiland rijdt en dan oversteekt naar de oostkust, valt van de ene verbazing in de andere. Het ene moment waan je je in Texas waar de kuddes koeien op weidse gele grasvlaktes grazen, terwijl je een paar kilometer verder omvergeblazen wordt door een jungle die weggelopen lijkt uit het Braziliaanse Amazonegebied. Wie zijn ogen dichtknijpt, zou op een bepaald moment zelfs een vleugje Schotland kunnen herkennen (had Cook dan toch gelijk?), maar dat kan ook aan een teveel aan de uitstekende lokale pils ‘Number One’ liggen. Een roadtrip is alleszins een must. Eén route neemt je helemaal rond het eiland, langs steile kliffen langs de lagune door weelderige rivierbeddingen over het hooggebergte, om uiteindelijk tot de conclusie te komen dat Nieuw-Caledonië zonder twijfel het mooiste land is dat je ooit aan de verraderlijke kuren van een Peugeot of Renault – we zijn immers nog altijd in Frankrijk! – hebt onderworpen.

 


 

PRAKTISCH

Vanuit Amsterdam vlieg je met KLM rechtstreeks naar Osaka of Tokio en van daaruit met Air Calin naar Nouméa, de hoofdstad van Nieuw-Caledonië. Omdat het Frans grondgebied is, heb je er als Europese toerist geen visum nodig. Om wat geld te besparen kun je ook via Londen, Dubai en Sydney vliegen, maar dan ben je wel enkele dagen onderweg.

Het is heel handig om op Grande Terre een auto te huren om op die manier het eiland te ontdekken. Nouméa is niet de gemakkelijkste stad om per auto je weg in te vinden, maar de rest van het eiland heeft maar één hoofdweg en een aantal ‘transversales’ of dwarswegen.

Om de andere eilanden van Nieuw-Caledonië te ontdekken, kun je de ferry nemen of vliegen met Air Calédonie, dat haar diensten aanbiedt vanuit de luchthaven van Magenta in Nouméa zelf. De internationale luchthaven Tontouta ligt op zo’n 45 minuten rijden ten noordwesten van de hoofdstad.

De munteenheid in Nieuw-Caledonië is de CFP-frank, die ook gebruikt wordt in Frans-Polynesië. 1 euro = 120 CFP. De beste periode om naar Nieuw-Caledonië te reizen is tussen april en januari. In onze zomermaanden is het er bijzonder aangenaam vertoeven, maar voor de locals net te koud om in het water te gaan. Voor Europese toeristen voelt het nochtans zeer zomers aan. In onze wintermaanden kan de temperatuur er flink oplopen tot ver in de dertig graden. Van januari tot april kent Nieuw-Caledonië een cycloonseizoen.

Nieuw-Caledonië is de perfecte bestemming voor watersporters. Duikers en snorkelaars vinden hun gading in het koraalrif en in de lagune, terwijl kite- en windsurfers profiteren van de 240 winderige dagen per jaar. Ook jetskieën, flyboarden, hoverboarden, zeekayakken en andere avontuurlijke watersporten kunnen er beoefend worden.

De lokale cuisine is een fantastische mix tussen Franse en Melanesische keuken. In Nouméa is restaurant ‘Au P’tit Café’ een absolute uitschieter. De luxetoerist vindt graag onderdak bij Le Méridien Nouméa, of in Le Méridien op Île des Pins. Op Ouvéa is de mooiste optie Le Paradis d’Ouvéa. In Bourail, aan de westkust van hoofdeiland Grande Terre, is vorig jaar een eerste Sheraton geopend in het prachtige Domaine de Deva. In Hienghène is het omgetoverde Club Med-resort – nu Hôtel Koulnoué Village – een absolute aanrader.

Backpackers hebben het in Nieuw-Caledonië iets lastiger, hoewel er in Nouméa wel een hostel van Hostelling International is. Goedkope accommodatie kan in het noorden van het land en op de eilanden ook gevonden worden bij de Kanak-stammen die gasten ontvangen in hun dorpen.