Glamping in de Serengeti

De Ndutu Airstrip ligt er verlaten bij, op een beigekleurige Toyota Land Cruiser na. Van achter het stuur van zijn 4×4 ziet gids Sam een landende Cessna C208B drie keer in het gras stuiteren voordat de twaalfzitter tot stilstand komt in de savanne. Twee jonge dertigers stappen uit, de andere passagiers hoppen verder noordwaarts richting Grote Trek. “Welkom in de Serengeti”, lacht Sam, die naar een troep leeuwen aan de overkant van de landingsbaan wijst. Mijn vrouw en ik beleven een hartverzakking. “Hakuna matata, ze hebben vanmorgen al gegeten.”

Met een beetje slechte wil zou je het een cliché kunnen noemen: leeuwen naast de landingsbaan, acacia’s aan de horizon, een broeierige zon en een gids in beige en kaki Indiana Jones-klederdracht, fedora incluis. Het is precies zoals ik me een Afrikaanse (specifieker: Tanzaniaanse) safari had voorgesteld. Ergens vermoed ik dat Hollywood, de geboorteplaats van Out of Africa en The Lion King, er iets mee te maken heeft, maar dat bederft de pret hoegenaamd niet. Sterker nog, ik voel een onweerstaanbare drang om een leeuwenwelpje vast te pakken en in de lucht te steken, terwijl ik een lied in Swahili te berde breng. Misschien bij een volgende gelegenheid.

Daar in het zuiden, rond onze lodge dus, kunnen we vier maanden per jaar van de Grote Trek genieten. Van december tot begin april staan hier tweeëneenhalf miljoen gnoes, zebra’s en gazelles te grazen. Bovendien bevallen ze hier ook van hun jongen.

Nadat het papierwerk in orde is gebracht – elke landingsbaan in de Serengeti heeft ook een ranger station waar entreegeld van eigenaar wisselt – springen we in de safarimobiel en zetten we koers richting Mwiba Wildlife Reserve, een privégedeelte van de Serengeti dat in handen is van een Texaanse miljardair. Die bouwde op zijn geleasete grond een luxelodge met de ingetogen klasse van een Aman Resort, maar met slechts acht suites. Of extreem luxueuze tenten (met volhouten vloeren, rieten daken, echte deuren, bad, binnen- en buitendouche, terras en extreem groot bed), afhankelijk van hoe je het bekijkt. Maar voor het zover is – en met de plons in het infinity pool al in gedachten – hebben we nog een ritje van zo’n twee uur voor de boeg, door bossen en over weidse grasvlaktes. “De Ndutu Airstrip ligt op de grens tussen Ngorongoro (bekend van de krater) en het Maswa Game Reserve”, vertelt Sam, die een leven in het Engelse Devon heeft ingeruild voor eentje in Tanzania. “Beide gebieden maken technisch gezien geen deel uit van het Serengeti National Park, maar wel van het Serengeti Ecosystem. Dat strekt zich uit van in Kenia, waar het Maasai Mara heet, tot het zuidelijkste puntje van Mwiba. Daar in het zuiden, rond onze lodge dus, kunnen we vier maanden per jaar van de Grote Trek genieten. Van december tot begin april staan hier tweeëneenhalf miljoen gnoes, zebra’s en gazelles te grazen. Bovendien bevallen ze hier ook van hun jongen. Nu is het een stuk rustiger, maar maak je geen zorgen. We zullen genoeg dieren kunnen spotten.”

Dierentuin op zijn kop

Sams woorden zijn nog niet koud of we zien een familie giraffen zich tegoed doen aan het bladerdek van een acacia. De lange nekken houden ons angstvallig in de gaten. “Dat zul je vaker zien. Sommige dieren rennen onmiddellijk weg, terwijl andere je liever goed in het oog houden.” En effectief, op de graslanden tussen het ‘vliegveld’ en onze lodge staan haast alle ogen – die van gazelles, zebra’s en struisvogels – op ons gericht. Het is de dierentuin op zijn kop; hier zitten wij in de kooi. Onderweg houdt Sam regelmatig halt om met zijn verrekijker de horizon af te speuren, op zoek naar diersoorten die de meeste ‘ooohs’ en ‘aaahs’ ontlokken. Maar moeilijke klanten zijn we niet. Bij elke hyena of jakhals kirren we van plezier als de maagdelijke safaristen die we zijn. Maar dan spot Sam een cheeta, die zelf op zoek is naar ontbijt, en rijdt de terreinwagen van de stofweg door het halflange gras. Het lijkt de cheeta niks te kunnen schelen. Rustig blijft ze zitten, terwijl wij tot op enkele tientallen meters naderen en onze fototoestellen laten gieren. “Straks hoop ik jullie nog een luipaard te laten zien. En eventueel nog wat olifanten.”

De regels van het Serengeti National Park bestaan hier niet. Wij mogen hier wel off road en after hours. Zin in een nachtelijke safari? Hakuna matata!

Paradijs voor twee

Eenmaal aangekomen in Mwiba zakken onze onderkaken nog een paar centimeter meer naar beneden. Het valt haast niet te vatten hoe stijlvol deze lodge en bijbehorend uitzicht is. “En de komende twee nachten zijn jullie onze enige gasten”, zo verwelkomt de Schotse manager Finley ons. Een suite, een infinity pool, een gigantische lobby en 62 man personeel, helemaal voor ons alleen. Net als Mwiba zelf, dat ongeveer drie keer zo groot is als het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en helemaal privé-eigendom. In totaal rijden hier op de het drukst mogelijke moment van de dag maximum vijf wagens rond. Het hoogseizoen moet duidelijk nog beginnen. “De regels van het Serengeti National Park bestaan hier niet. Wij mogen hier wel off road en after hours. Zin in een nachtelijke safari? Hakuna matata!” Ook dit keer zijn we niet moeilijk te overtuigen en na een uurtje is het prijs: een luipaard. De grote kat heeft een stel wrattenzwijnen in het vizier, maar de achtervolging blijft uit. Een uur lang volgen we het prachtige dier en zien het op een gegeven moment drinken van een poel. “Wat een uniek moment”, fluistert Sam opgewonden. “Je ziet deze dieren haast nooit drinken. Jullie hebben echt beginnersgeluk.”

The circle of life

Na twee nachten in de poepsjieke Mwiba Lodge hebben we wel door hoe een safari in elkaar zit. Je staat voor dag en dauw op voor een ochtendlijke ‘game drive’, waarna je terugkeert naar je lodge voor de lunch. Gauw even een duik in het zwembad en een massage meepikken, want rond 16 uur staat deel twee van de rit op de agenda, die steevast met een alcoholisch drankje en een oogverblindend mooie ondergaande zon eindigt. Zo is ook het leven in Namiri Plains, een luxueus tentenkamp van Asilia Africa, een toeristische organisatie met zeventien kampen in Tanzania en Kenia die geleid wordt door twee Nederlanders. Namiri Plains is twee jaar geleden geopend in het oosten van het Serengeti National Park, op flinke afstand van de meeste andere kampen in Centraal Serengeti. Vroeger verrichtte men op deze plek enkel cheeta- en bodemonderzoek, maar nu is dit deel voor het eerst ook toegankelijk voor toerisme. Het uitzicht verschilt dramatisch van dat in het zuiden (hoewel het maar een kwartiertje vliegen is van Ndutu naar Seronera): grasvelden zover het oog reikt. En nauwelijks dieren in zicht. “Schijn bedriegt”, lacht onze gids Erasto. “Ik hoor leeuwen in de verte. Kom, we vertrekken.” Een gids heeft blijkbaar altijd gelijk, want tien minuten later zien we een bende leeuwinnen en jonge leeuwen. “De volwassen mannetjes moeten hier ook in de buurt zijn.” Alweer correct. Even verderop smullen twee uit de kluiten gewassen leeuwen van het laatste stukje elandkarkas. Diezelfde ochtend spotten we nog een gruwelijker tafereeltje. Twee jakhalzen slagen erin een pasgeboren gazelle te grijpen en het diertje voor onze ogen uit elkaar te rukken. The circle of life op zijn hardst.

Beginnersgeluk

In ons kamp gaat het er gelukkig een stuk menselijker aan toe. Iedereen eet aan één grote tafel en schept op over wat ze die dag gespot hebben. Ik vertel een fait divers over twee honingdassen die we ’s morgens in de buurt van een cheetah zagen, waarna de ervaren safarigangers haast een groepsorgasme krijgen. Het lijkt niet de bedoeling dat wij als safarimaagden al zo verwend worden. “Beginnersgeluk”, wordt er gefluisterd en jaloerse blikken vliegen onze kant uit. Maar ons beginnersgeluk heeft ons wel nog geen olifanten opgeleverd, toch de diersoort waar we het meest benieuwd naar zijn. “Geen zorgen, ik hoor net op de radio dat er olifanten in de buurt van de airstrip lopen.” Anderhalf uur later komen we aan in Seronera, het drukste vliegveldje van heel de Serengeti. Hier nemen we de ‘Grand Caravan’, zoals onze twaalfzitter genoemd wordt, naar Kogatende in het noorden van de Serengeti en op de grens met Kenia. In de verte zien we inderdaad een eenzame olifant wandelen, maar dichtbij geraken we niet omdat onze piloot een half uur voor loopt op schema.

In die rivier spotten wij onze eerste nijlpaarden en hongerige krokodillen die al maanden niks meer gegeten hebben. Hun feestmaal wordt in juli geserveerd wanneer alle migrerende beesten de grote oversteek maken. En later nog eens in november wanneer de massa terugkeert naar het zuiden. Ons feestmaal staat ondertussen klaar in Sayari Camp, opnieuw eentje van Asilia en al vaker geroemd als beste safarikamp in de Serengeti.

Pijnlijk afscheid

Uitstel betekent gelukkig niet altijd afstel. We zijn nog maar net in Kogatende geland of we worden haast omvergelopen door een kudde olifanten, die hevig in de weer is om haar grasveld te vrijwaren van migrerende gnoes. Die zijn twee dagen eerder in groten getale – lees: een klein half miljoen – en met groot lawaai – lees: een half miljoen claxons – aangekomen en wachten op de rest van de groep om de legendarische en vervaarlijke Mararivier over te steken. In die rivier spotten wij onze eerste nijlpaarden en hongerige krokodillen die al maanden niks meer gegeten hebben. Hun feestmaal wordt in juli geserveerd wanneer alle migrerende beesten de grote oversteek maken. En later nog eens in november wanneer de massa terugkeert naar het zuiden. Ons feestmaal staat ondertussen klaar in Sayari Camp, opnieuw eentje van Asilia en al vaker geroemd als beste safarikamp in de Serengeti. Al gauw wordt duidelijk waarom. Het kamp ligt op een boogscheut afstand van de rivier en biedt een geweldig uitzicht op de Keniaanse hoogvlaktes. De vijftien ‘tenten’ (dit klinkt zo oneerbiedig, de luxe druipt er werkelijk vanaf) staan over een afstand van twee kilometer opgesteld om de Grote Trek – ook wel de grootste show ter wereld – mee te kunnen maken. “’s Avonds moet je enkel opletten voor nijlpaarden tussen de tenten. Die kunnen heel gevaarlijk zijn”, legt kampmanager Michelle uit. “Als je na zonsondergang naar de receptie of eetkamer wil wandelen, laat dat dan weten via de walkietalkie. Dan sturen we iemand om je te komen halen.” Uiteindelijk blijkt er ’s avonds echt een nijlpaard te zijn gespot in het kamp, net als een cheeta, maar wakker liggen we daar niet van. Wat ons zorgen baart, is dat we weer naar huis moeten en dat deze once-in-a-lifetime-reis misschien echt once-in-a-lifetime is. Het afscheidskaartje op ons bed vat het adequaat samen:

To Sebastiaan and Laure:

‘Visiting Africa opens up a part of your heart
that you did not know existed,
and once it is open, you cannot close it’


Zelf gaan?

Deze reisreportage kwam tot stand in samenwerking met reisbureau Alloux (www.alloux.be), specialist in inspirerende luxereizen over heel de wereld. De ideale reisperiode naar Tanzania is juli tot februari. In juli trekken de gnoes en zebra’s de Mararivier over, het absolute hoogtepunt van de Grote Trek. Van maart tot mei kent de Serengeti een regenseizoen. Prijzen vanaf 9.300 euro per persoon (inclusief vlucht).

Wij vlogen met Brussels Airlines van Brussel rechtstreeks naar Kigali, de hoofdstad van Rwanda (vanaf 667€ retour). Van hieruit is het nog zo’n twee uur vliegen in een ‘Grand Caravan’ naar de Ndutu Airstrip. Luchtvaartmaatschappij Coastal vliegt dagelijks tussen de twee landen en tussen de verschillende kampen in de Serengeti.

No more articles