Hoe langer je op iets moet wachten, hoe lekkerder het is. Zo was het dit jaar met de herfst. Want nét op het moment dat we dachten dat we echt eindeloos zomer zouden krijgen, was-ie er. Groen werd geel, jasjes werden jassen en die jassen gingen dicht. Herfst dus. Eindelijk.

Ergens tijdens die lange zomer vonden we onszelf terug op een boot van Sloepdelen. Het werd een dag uit het boekje; Amsterdam is mooi maar Amsterdam van het water is het mooiste wat er is. En met het kwik duwend tegen de dertig besef je je zulks het best. Nadeel: je bent niet de enige. Het was dringen op het water, zoals het dringen op de terrassen was.

Hoe anders, vorige week op zondagochtend, toen de herfst nog één keer met die zomer in gesprek ging. We waren vroeg, donker nog bij vertrek en muisstil op straat en water. Maar terwijl we voeren, werd het licht. Langzaam, kleur voor kleur. We voeren de Herengracht af, de Amstel op. En daar was het alsof God zelf ons wilde belonen voor de vroege wekker. Roze, paars, kwistig strooiend met strepen en patronen in de lucht. Als het een schilderij was had de museumgids erbij verteld: hier ging de kunstenaar door een hele vrolijke fase van zijn leven. En wij met hem.

Terug de grachten op. Fluisterstil sneden we door gladde spiegels waarin verkleurde bladeren dreven na het dwarrelen. Rood de bomen, geel de bomen, oranje de bomen. En niemand die het zag behalve wij.

Na twee uur waren we terug op het beginpunt; de Nassaukade. Terras, snoeten zonwaarts en ineens schoot er een venijnige herinnering door ons heen. Hij was er weer even: de zomer. Heel even. En toen werd het echt herfst.

Tekst: Kees van Unen