Benin: land van voodoo en ecotoerisme

Overvolle tropische stranden, achtergelaten afval in het zand, reusachtige hotelcomplexen die ontbossing veroorzaken, stijgende grondstofprijzen, … Het gelaat van massatoerisme staat vol ecologische littekens. Gelukkig kan het ook anders, zo bewijst het West-Afrikaanse land Benin.

Terwijl de meeste Vlamingen en Nederlanders afgelopen zomer van zon, zee en strand genoten in een Turkse, Griekse of Spaanse badplaats, trokken wij naar de republiek Benin, één van de kleinere landen in West-Afrika, gewrongen tussen Nigeria, Togo, Niger en Burkina Faso. Als reisbestemming is Benin een nobele onbekende en op het eerste gezicht is dat niet geheel onterecht. De meeste hotels hebben geen warm water, het wegennet is een complete ramp (ja, erger dan België!), de steden zijn een grote puinhoop en de vaak smerige stranden worden bevolkt door loslopende varkens, geiten en straatarme vissers. Maar de toeristische ellende begint eigenlijk al voor vertrek, met een verplicht bezoekje aan het Tropisch Instituut voor een prikje gele koorts en twee ritjes naar de ietwat vervallen ambassade van Benin in Ukkel (die je in ruil voor 70 euro een handgeschreven visum bezorgt). Bovendien moet je al voordat je het vliegtuig opstapt rekening houden met een menu van malariapillen, wil je zorgeloos kunnen afreizen naar het land dat eeuwen geleden voodoo voortbracht. Dat Benin niet overspoeld wordt door westerse toeristen, mag dan ook geen verrassing heten.

Op weg naar palenstad Ganvié.

Venetië van Afrika

En toch. En toch! Wie zich over de (kleine) nadelen van een tripje Benin heen kan zetten, valt een onvergetelijke ervaring te beurt. En die begint voor de meeste toeristen in Cotonou, met zo’n anderhalf miljoen inwoners de grootste stad van het land. De officiële hoofdstad is het niet – want dat is het nabijgelegen Porto-Novo – maar met alle overheidsorganisaties, ambassades én de grootste markt van West-Afrika mag je Cotonou het begin- en eindpunt van elke Beninreis noemen, ook al omdat de twee Europese luchtvaartmaatschappijen die op Benin vliegen (Brussels Airlines en Air France) hier aankomen. Voor wie nog nooit in een derdewereldland geweest is, kan de kennismaking met Cotonou een kleine schok zijn, maar wie verder kijkt dan het chaotische verkeer, de vervallen gebouwen en de talrijke straatverkopers die illegale benzine uit Nigeria aan de man proberen te brengen, zal enkele toeristische schatten vinden. Net buiten het stadscentrum ligt de palenstad Ganvié, die na het nationale park Pendjari (dat vier van de Big Five herbergt) de grootste attractie van het land is. Het waren de bewoners van het vasteland die zich in de zeventiende eeuw in dit enorme meer op het water vestigden om te ontsnappen aan de slavenexport. En een paar honderd jaar later wonen hier nog steeds zo’n 30.000 mensen in eenvoudige paalwoningen en drijven handel in nog eenvoudigere bootjes.

Route des Esclaves

Die slavengeschiedenis is nog zo’n toeristische troef van Benin. In Senegal ligt het bekende eiland Gorée, dat omwille van het belang in de geschiedenis van de slavernij al in 1978 op de Werelderfgoedlijst van Unesco werd gezet. Maar wat weinig mensen weten is dat de Beninese stad Ouidah de grote spil was in de slavengeschiedenis. Van hieruit werden meer dan 12 miljoen (van de in totaal 60 miljoen) Afrikaanse slaven naar Brazilië en de Verenigde Staten gedeporteerd. Ouidah en niet Ile de Gorée is het centrum van de Afrikaanse diaspora, maar omdat Benin nooit een slimme marketeer onder de arm heeft genomen, weten weinig mensen welke gruwel zich hier heeft afgespeeld in de achttiende en negentiende eeuw. Gelukkig kan je in Ouidah gemakkelijk aan een gids geraken die je meeneemt over de 3,5 kilometer lange Route des Esclaves. Een vrolijk verhaal is het niet, maar het laat wel een diepe indruk na.

“Voodoo is niet des duivels, zoals de meeste westerlingen denken”, vertelt de voodoopriester. “Het staat net in het teken van het leven: geboorte, geluk, vrede, gezondheid. Bovendien beschermt het tegen hekserij.”

Offers aan de voodoogoden

Met enkele gitzwarte pagina’s in haar geschiedenis kijkt Benin liever naar de toekomst. En die ziet er volgens de toeristische organisatie Eco-Benin hoopvol (en groen) uit. De jonge ngo heeft over heel Benin een vijftiental ecologische sites met ‘eco-lodges’, milieuvriendelijke hutten die door de lokale bevolking gebouwd zijn om blanken – ‘yovo’ in de plaatselijke taal – te laten kennismaken met het authentieke leven in de Beninese dorpjes. In Possotomè, aan het meer Ahémé, betekent dat concreet dat je als toerist mee gaat vissen om later op de dag je eigen vangst te mogen verorberen. Om de CO2 die de vlucht naar Benin heeft veroorzaakt te compenseren, kan je ook de mangrove herstellen door wortelbomen aan te planten. Elke hectare mangrove is immers goed voor 200 ton geabsorbeerde CO2 per jaar. In Possotomè maakten we ook voor het eerst kennis met het fenomeen voodoo, dat in Benin een officiële religie is. Hier heeft voodoo niks te maken met poppetjes die je met naalden te lijf gaat, maar wel met godheden – zoals die van de python of van de donder – die geregeld offers willen waarbij het bloed van geiten, honden, varkens, koeien of kippen met de liters vloeit. “Voodoo is niet des duivels, zoals de meeste westerlingen denken”, vertelt de voodoopriester. “Het staat net in het teken van het leven: geboorte, geluk, vrede, gezondheid. Bovendien beschermt het tegen hekserij.”

Enge blanke man

Ook in de lagune van Grand-Popo, een strook land tussen meer en zee in het uiterste zuidwesten van Benin, ligt één van de toeristische hutjes van Eco-Benin op het strand van Avlo. Met open armen worden we ontvangen door het stamhoofd, die ons eerst op audiëntie ontvangt voordat we ons privéstrand op mogen (leuk detail: tijdens onze kennismaking gaat plots zijn gsm af, terwijl er nergens elektriciteit is). De eerste blanke werd hier pas eind jaren negentig gespot en tot vorig jaar waren er nog kinderen die nooit eerder een ‘yovo’ zagen. Ook nu roepen alle kleintjes ons na wanneer we voorbij komen. Allemaal willen ze op de foto, maar als we met onze blauwe ogen en donkerblonde haren iets te dichtbij komen, willen de allerjongsten nog wel eens schrikken. Groot gelijk, zo’n blanke man kan eng zijn. Voor de vrouwen in het dorp zijn we echter welgekomen keukenhulpjes. Samen doen we inkopen op de markt en samen koken we het avondeten: verse krab met maniokpuree en koeienhuid (die we even later stiekem weer uitspuwen). Elektriciteit is hier niet aanwezig en wanneer de nacht valt – elke avond al rond acht uur – is het plots donker en geven miljoenen sterren aan het firmament van jetje. Met de spuitbus Deet in de aanslag blijven we even nagenieten van de rust, de stilte en de authenticiteit van de plaatselijke cultuur. Leve het ecotoerisme!

Rottende kadavers

Op terugweg naar Cotonou duiken we ook nog even de jungle in – eerst drie keer klappen om de godheid te waarschuwen dat er blanken op komst zijn – om op zoek te gaan naar de heilige Monameerkat. Net als de python mag je deze apen niet gevangen nemen, mocht je dat überhaupt willen. Na een uur wandelen wordt onze gids plots laaiend enthousiast en wijst naar de boom waarin twee Mona’s zich schuilhouden. Zelf zijn we eerder bezorgd om de reusachtige varaan die zich op slechts twee meter afstand van ons bevindt. Ook deze diersoort draagt een onzichtbaar ‘handen af!’-plakkaatje. Of daar ook echt rekening mee wordt gehouden, is trouwens nog maar de vraag. Enkele uren later staan we op de fetisjmarkt van Cotonou oog in oog met afgesneden apenkoppen, kamelenhoofden, honden-, katten- en poemakoppen, net als gedroogde slangen, leeuwenhuiden en andere rottende kadavers die gebruikt worden in ietwat macabere voodoorituelen. Een onvergetelijk zicht, een onvergetelijke ervaring. De perfecte samenvatting van een reis door Benin!

Enkele uren later staan we op de fetisjmarkt van Cotonou oog in oog met afgesneden apenkoppen, kamelenhoofden, honden-, katten- en poemakoppen, net als gedroogde slangen, leeuwenhuiden en andere rottende kadavers die gebruikt worden in ietwat macabere voodoorituelen.


Zelf gaan?

Slechts twee Europese luchtvaartmaatschappijen vliegen rechtstreeks op Cotonou: Air France vanuit Parijs en Brussels Airlines vanuit Brussel (maar op terugweg wel met tussenstop in Abidjan, Ivoorkust). De vlucht neemt ongeveer zes uur in beslag (met tussenstop zo’n negen uur). Met wat geluk kan je een retourtje op de kop tikken voor minder dan 800 euro.

Een gele koorts vaccinatie is verplicht voor Benin, net als een toeristisch visum dat 70 euro kost. Malariapillen zijn een absolute aanrader. Medicatie tegen diarree is trouwens ook geen overbodige luxe.

Meer informatie over Eco-Benin en haar vijftien sites vind je op www.eco-benin.org

No more articles