Midden in New Orleans vind je, goed verscholen in The French Quarter, een piepkleine hotelbar: May Baily’s Place. Op het eerste gezicht niet zo bijzonder, maar de rokerige, Victoriaanse kroeg kent een mooie historie. Een die symbool staat voor een groot deel van het centrum van New Orleans.

Je ziet het in bijna elke grote stad wel. Daar waar vroeger de zeelui voet aan wal zetten, daar was het interessant. Daar waren de cafés en de donkere steegjes. De louche buurt, waar de heilige drie-eenheid van drinken, vechten en naar de hoeren gaan hoog in het vaandel stond.

Zo ook in New Orleans. Wat nu het toeristische hart van de stad is, was vroeger een aaneenschakeling van plekken waar zeebonken hun geluk beproefden. Vrijwel elke straat in The French Quarter bevatte wel bordelen. In allerlei verschillende prijsklassen. Van $25 per nacht (dan mocht je de hele nacht blijven) tot vijftien cent voor een vluggertje. Toenmalige naam voor de buurt: Storyville District. Vernoemd naar toezichthouder Sidney Story die – vergelijkbaar met de Wallen in Amsterdam – bedacht dat het wel handig was om alle bordelen in één buurt onder te brengen, en zo een oogje in het zeil te kunnen houden.

Een van die bordelen was May Baily’s Place. May Baily was een madam, en runde een van de bekendere bordelen in New Orleans. Tot 1917. Toen besloot de Amerikaanse marine dat het wel genoeg was. De oorlog in Europa was belangrijker dan seks. De mannen moesten vechten. Het red light district werd gesloten.

Maar stap je nu May Baily’s binnen – inmiddels de hotelbar van het Dauphine Orleans Hotel – dan krijg je weer een vleugje mee van die spannende tijd die ruim honderd jaar geleden plaatsvond. De rokerige sfeer. Het bordeauxrode vloerkleed. De zwarte vleugel in de hoek die nog steeds bespeeld wordt. De donkere, opgepoetste houten bar. Er hangt nog een portret van May Baily, en foto’s van de prostituees die er werkten. In de tuin brandt nog een rood licht. Kleine herinneringen, aan een roerige tijd.