We zitten op een boot vol Chinezen.
Tsja, dat is wat het is, en dat is toch niet helemaal wat je verwacht als je ’s ochtends de trein van Amsterdam naar Kopenhagen pakt. Ruim voor zevenen stonden we te wachten op het centraal station aldaar, stapten in de trein en buffelden in één dag heel Duitsland door. Het klinkt leuk, slechts twee keer overstappen en je bent in Kopenhagen, maar dan ben je dus wel twaalf uur verder en heb je alle kleuren grijs van Duitsland gezien. Van Bad Bentheim en Rheine tot Osnabrück en Bremen; het landschap en de lucht buiten zien er net zo aantrekkelijk uit als het oorringetje van de conducteur die zwaar ademend achter z’n kaartjesknipper aan de coupé door marcheert.

Hoofdpijn

Kees, mijn trouwe reiskompaan de komende vier weken, had hoofdpijn. Resultaat van de avond ervoor. Toen ik hem om tien uur in de avond sms’te of hij er een beetje klaar voor was, zo over land naar de Noordkaap en weer terug met vertrek op een tijdstip dat de haan het nog verdomt om te kraaien, reageerde hij subiet. ‘Nee ben dronken. Maar ben net thuis dus nu ga ik me er klaar voor voelen.’
Dat over land naar de Noordkaap en terug, dat behoeft misschien enige uitleg. Deel één van de zomertrip voert door Scandinavië. Per trein via Kopenhagen, Göteborg en Stockholm dwars door Zweden omhoog het lege, diepe noorden in. Dan bij Narvik de grens over naar Noorwegen om met een huurauto tot het noordelijkste puntje van Europa te komen. Om ons vervolgens helemaal langs de Noorse kust te laten afzakken tot we via Bergen en Oslo weer aan onze terugreis beginnen.

De trein op de boot

Maar nu zijn we nog maar net bezig, aan een weinig spannende eerste dag, terwijl we naar buiten kijken en ons af en toe hardop afvragen waar we nu precies aan begonnen zijn. Tot we wakker geschud worden door de mededeling dat we tijdelijk de trein uit moeten. Tussen Puttgarden en Rødbyhavn gaat er een ferry. En die trein gaat daar dus op, net als alle auto’s en vrachtwagens. Dan worden de treinreizigers ineens voor drie kwartier cruisepassagier. Kees kon het maar moeilijk bevatten. En terwijl hij een beetje in de verte stond te turen op het dek, kwam er een hele roedel Chinezen ook het dek op en stond hij plotsklaps ingesloten. Later, weer in de trein op het laatste stukje richting Kopenhagen, dacht hij er nog eens over na. ‘Ik zie mezelf al zitten later’, zei hij. ‘En toen zat opa op een boot, mét de trein. En er waren allemaal Chinezen. En daar heb ik een foto van.’