Het heeft twee weken geduurd, maar we hebben dan eindelijk Noorwegen bereikt. Op een winderig station in Kiruna begonnen we aan onze laatste etappe door Zweden. Als de trein aankomt, zoeken we routineus onze zitplaatsen op en leggen we de bagage in de rekken.
Kees reist licht. Voor de hele reis zou beginnen wist ik het al: die gaat niet bezakt en bepakt op het station verschijnen. De avond voor vertrek bevestigde hij dat nog eens door op mijn vraag ‘ben je er klaar voor?’ te antwoorden met ‘nee, ben dronken. Zo m’n tas maar eens pakken.’ En de volgende ochtend kwam ie hoor, met z’n sporttasje uit de jaren zeventig. Of hij een potje gaat zaalvoetballen of in een maand heen-en-weer naar de Noordkaap reist, van de buitenkant zie je het allemaal niet.
Hij plofte neer op de treinstoel en keek eens naar mij en mijn bagage. Hij keek nog eens en begon heel hard te lachen. ‘Wat heb je in godsnaam allemaal bij je joh?’

Koffer, rugzak, tas

Ik reis niet licht. Dat wijt ik voor een groot deel aan mijn werk. Alleen mijn cameratas is al groter dan menig koffer. Onderverdeeld in vakjes zitten er twee camera’s, vier lenzen, een polaroidtoestel, twee harde schijven, laptop, e-reader en een zooi opladers in. Dat gaat allemaal op m’n rug. Dan heb ik ook nog eens een drone bij me. Een flinke doos die ik meesjouw in een veredelde boodschappentas. En mijn normale koffer, uiteraard, op wieltjes. Maar ook zonder apparatuur lukt het me vaak niet om licht te reizen. Mijn koffer is groot en als ik eenmaal begin met pakken, doe ik die koffer vaak pas dicht als er niks meer bij kan.
Toen we in Gävle in het professor Barabas treintje van het spoorwegmuseum stapten, met al onze – mijn – bagage omdat we een dagje stuk moesten slaan, werd ik door de museumbezoekers aangekeken alsof ik het kwijt was. Kees, tas losjes over z’n schouder, stond er lachend naast. Toen we in Narvik de trein uitstapten en besloten naar onze accommodatie te lopen (‘kwartiertje maar, moet toch te doen zijn’), bleek het heuvel op toch flink aanpoten met al die spullen. Kees, tas losjes over z’n schouder, zette z’n zonnebril nog eens recht. Wat was het toch weer een mooie zomerdag.
Het moet gezegd, tot nu toe reist de zon met ons mee. De Scandinavische zomer is niet zo kil als we vreesden. Maar nog steeds reizen we verder naar het noorden, waar het weer ook maar zo om kan slaan. Heel af en toe kijkt ie dan zorgelijk, Kees. Een dikke jas heeft hij niet mee, een dikke trui ook niet. Mocht het nodig zijn, dan pakt hij maar wat uit mijn koffer. Daar zit genoeg in.