Net op het moment dat de weg zich na een bocht opende, we de vrachtwagen konden inhalen en eindelijk weer iets meer op snelheid konden komen, stapte de agent uit z’n geparkeerde politiewagen. Z’n blauwe overhemd strakgespannen over z’n ronde buik. De beweging traag en loom – het was dan ook midden op de dag – maar gedecideerd. Hier moest hij toch even ingrijpen.
Hij ging midden op de weg staan en maande ons tot stoppen.
‘Radar control’, zei hij. Het enige dat hij in z’n handen had was een houten bordje met ‘stop’ erop. Een ronde, aan een stokje. Zo een die opa Flodder ook had.
‘Hoe hard mag u hier, meneer?’
Tachtig, gokte ik, en veel harder reed ik ook niet.
De agent zuchtte eens diep en schudde meewarig zijn wangen. Of ik nou eens even achterom wilde kijken en niet kon zien dat er toch duidelijk zestig op het bord stond. Nou, goed onthouden en niet meer doen, was zijn boodschap. En we konden door.
Eerder deze week in Bosnië stonden we ook al langs de kant. Hadden geen licht aan overdag en dat mag niet. Denk erom, zei de agent ter plekke en stuurde ons weer de weg op.
Tussen Sukobin (Montenegro) en Dodaj (Albanië) staan we een uur in de rij om de grens over te gaan. Als we vooraan staan, geen controle. Nummerbord wordt genoteerd en doorrijden maar.

Alles of niets

Het is een beetje alles of niets op de weg in Zuidoost-Europa. De wegen in Montenegro voornamelijk leeg. In Albanië net over de grens is een zootje. Iedereen doet maar wat en dat gebeurt allemaal op twee rijbanen, vergelijkbaar met de provinciale weg tussen pak ‘em beet Wilnis en Kamerik. In en rondom steden en dorpen loopt iedereen over straat. Oude brommers rijden af en aan.
Er steekt een zwart varken over.
Voorrang werkt eenzijdig. Je neemt het. Levensgevaarlijke inhaalacties –soms wordt de auto die inhaalt tegelijkertijd zelf ingehaald – waar je in Nederland voor van de weg wordt gehaald, zorgen niet eens voor gefronste wenkbrauwen bij tegenliggers. We passeren een stilstaande auto die pontificaal op de rijbaan een lekke band aan het vervangen is.
Voorbij Rubik draaien we de snelweg op richting Kosovo. Vier brede banen asfalt helemaal voor onszelf.
Bij de grensovergang met Kosovo vergeet Arjan een keer te stoppen. Reprimande van de douanier. ‘Respect the signs’, zegt hij. ‘Respect the signs.’
Het verkeer in hoofdstad Pristina is een chaos van Aziatische proporties. Na verkeerd voorsorteren op een kruispunt op de Bill Clinton Boulevard en om die reden een boel getoeter staat er na de bocht naar links wederom een agent langs de weg. Stoppen. Wat we daar deden, dat kan dus niet, dat moesten we toch wel met hem eens zijn. Arjan legde de situatie uit.
‘Goed’, zei de jonge agent terwijl hij de autopapieren checkte. ‘Geen boete deze keer, maar beetje opletten in het vervolg. Zo moeilijk is het allemaal niet.’


No more articles