Net na de lunch is het zo goed als leeg in Bar Zappa in Belgrado. Achter de toog staat Katerina, een vrolijke vrouw met een flinke bos donkere krullen. Aan de andere kant van de bar, op de hoek, zitten drie mensen. Twee mannen en een vrouw.
Iedereen kijkt op als we naar binnen lopen.
Op de vraag, of er hier ook ergens een garage in de buurt is, barst een discussie los in het Servisch. Slobodan, het dichtst aan onze kant, vraagt in het Engels wat er dan precies is. Iets met de olie, zeggen we, of oliedruk. Er knippert een lampje en dat zou niet moeten. Paar dagen geleden alles nog gecheckt, maar gister bleef het maar doorgaan.
Dat was niet goed, constateerde Slobodan en hij stond op van z’n kruk. ‘Ik loop wel met jullie mee, ik moet toch die kant op.’
We liepen naar de parkeergarage waar de bus stond, vijf minuten verderop. De eigenaar ervan – grote vent, geen naam, poetsdoek in z’n hand – adviseerde niet naar de garage om de hoek te gaan. Slecht volk. Hij zou er wel even naar kijken.
Na een uur olie halen op de hoek van de straat (Slobodan: ‘ik loop wel even mee’), moeilijk kijken van de garagebaas, de typische houding van mannen buigend over een motorkap, waarvan er altijd een paar – wij – geen idee hebben wat er loos is, was alles weer in orde.

De rekening

Op een terrasje in dezelfde straat bestelden we een biertje. Slobodan koffie. Hij bleek dertig jaar oud, zijn aansteker van Partizan Belgrado (‘Lazovic! Kezman!’) verried zijn voetbalvoorkeur, waar hij zelf weinig aan kon doen. Dat zit nou eenmaal in de familie. Zelf speelde hij cricket. In december zou hij naar Zuid-Afrika. Hij wilde ook graag naar de Ardennen, naar Bastogne. En naar de stranden in Normandië. Groot fan van Steven Spielberg was hij. Band of Brothers, de epische serie over de Tweede Wereldoorlog, keek hij elk jaar weer opnieuw.
We dronken er nog een. Het terras waarop we zaten verscholen in de schaduw van hoge, statige gebouwen. Belgrado had wel iets van een wereldstad. Leek soms wat op de wijk Palermo in Buenos Aires, zouden we ook ’s avonds nog constateren. In wat op het eerste gezicht vooral een woonwijk was, zaten veel terrasjes, cafeetjes, restaurants. Stijlvol ingericht, veel buiten. Goed eten, beter dan de fantasieloze porties vlees in het zuiden van de Balkan.
Slobodan moest er vandoor. Wij ook. ‘Ik betaal even’, zei Erik. We bedankten hem nogmaals voor alle hulp met de auto. Inmiddels waren we toch ruim twee uur verder. Toen Erik onverrichter zake weer terugkwam naar buiten, keek hij Slobodan verbaasd aan. Die gaf geen krimp. ‘Als ik ooit in Nederland ben’, zei hij, ‘dan trakteren jullie mij maar een keer.’


Dit alles gebeurde zonder camera. Die hadden we ’s avonds wel, vandaar dat Erik onder meer met een gekke Serviër op de foto staat.