‘Nee, jullie slapen hier in het klooster. Jullie zijn onze gast vanavond.’ Pater Daniël (50) zegt het met een glimlach, maar eentje die geen tegenspraak verwacht. We hebben net een rondleiding gekregen door de Abdij van Kremsmünster. Een benedictijnenklooster in Oberösterreich, tussen Salzburg en Linz. Zo’n vijftig monniken zijn daar bij aangesloten, waarvan ongeveer de helft er daadwerkelijk woont. Die kennen een ritme van ‘Ora et Labora’, wat zoiets betekent als work hard, pray hard. Om zes uur in de ochtend opstaan, gebed, werken, om twaalf uur weer bidden, werken, ’s avonds om zes uur bidden, eten, na het eten nog even bidden en dan weer naar bed.
Wij hoeven daar allemaal niet aan mee te doen.
De rondleiding van ruim twee uur was net genoeg om de meeste hoogtepunten van het complex te zien. Kamers vol kunst. De Kaisersaal, negen meter hoog met volledig beschilderd plafond. In de kerk werd geoefend op het orgel. Naast de abdij klommen we vijftig meter de lucht in. Trap na trap door een gebouw dat ooit het hoogste van Europa was. Nu is het een soort historische toren van de wetenschap. Op elke nieuwe verdieping een uitgestalde verzameling van van alles en nog wat. Mineralen, opgezette dieren, wereldbollen of sterrenkijkers. Hoogtepunt van de abdij: de bibliotheek. Er schijnen 160.000 oude boekbanden in te huizen. En als je van al die boeken bij de juiste op de kaft drukt, gaat er een geheime deur open.

Pater Siegfried

En nu staan we met een glas wijn naar een binnenvijver vol forel te kijken. Die wijn, dat is de verantwoordelijkheid van pater Siegfried. Die zorgt dat er witte wijn uit de Wachau komt en rode uit het Burgenland. Hij brouwt ook z’n eigen schnapps, pater Siegfried. Je zou kunnen zeggen dat hij de beste positie in het klooster heeft. Pater Daniël moet er vandoor. ‘Ik klop om zeven uur bij jullie kamers aan, dan kunnen we samen wat eten. Tot vanavond.’
Slapen in een klooster, wat zou dat inhouden? ‘Het is geen vijfsterrenhotel’, werd meegedeeld net voor we onze kamers kregen te zien. Doorgaans is dat een eufemisme voor een houten plank met stro, een tobbe koud water en een homp droog brood. Maar het valt allemaal reuze mee. De kamers ruim maar ingetogen. Twee eenpersoonsbedden met erboven een kruis. Een houten tafel met drie stoelen. Een kastmeubel met een paar bijbels erop en in de hoek een prullenbak. Er is wifi.
Om vijf over zeven komt pater Daniël met broeder Philipp (36) naar buiten lopen. We rijden naar restaurant König, waar een tafel voor vier is gereserveerd. Er wordt bier besteld, geproost en antwoord gegeven op de vele vragen van een agnost en een atheïst. Draag je altijd een habijt? – niet met tuinieren. Mag je eten en drinken wat je wil? – ja. En is er een vaste bedtijd? – nee, als je de volgende ochtend maar om zes uur bij het gebed bent. Dat is trouwens nog wel eens lastig als je de avond ervoor met pater Siegfried zit.