Het waren niet de beste 24 uur, afgaand op waar we zouden moeten zijn en wat we nu aan het doen waren. Eerst al in de regen door München, de volgende ochtend onder een grijze hemel op weg naar Heidelberg. Een stad in Duitsland zoals zo veel anderen. Ergens tussen Stuttgart en Frankfurt. Met een kasteel, en huizen met gepleisterde muren, en wat beboste heuvels op de achtergrond, en cafés waar bier werd geschonken. We hadden net zo goed in Mainz kunnen zitten, of in Mannheim, of in Wiesbaden of in Koblenz.
Maar we zaten in Heidelberg. Na een aantal files, wegwerkzaamheden en een bezoek aan McDonald’s waar we direct spijt van hadden.
Boven de stad verscheen een regenboog. Mensen stonden er op straat naar te kijken. Een serveerster kwam er zelfs voor naar buiten. Ze riep er een collega bij.

Koen

Maar gelukkig was daar Koen. Reisgenoot voor vier dagen en onder deze omstandigheden degene die me vergezelde naar huis. Dat vond hij ook wel prettig, zo met de auto, ook al had hij zijn vliegticket al geboekt. In je eentje vliegen was maar saai. Dan was zo’n roadtrip een stuk gezelliger.
Koen was vaker mee geweest op reis. De bestemmingen – Duitsland, Tsjechië, Italië, Duitsland – maakten hem weinig uit. Hij was het schoolvoorbeeld van het credo ‘het gaat om het reisgezelschap, niet om de bestemming’. Al moesten we vier dagen op een industrieterrein door zien te komen, dat zouden we ook nog wel redden.
Koen’s favoriete spelletje, zeker in de auto, was dat van de dilemma’s. Voorbeeld: zou je liever krab-handen hebben (ter verduidelijking: in plaats van je hand heb je een levensgrote krab aan het eind van je arm) of geen handen. Dit voorbeeld gaf hij toevallig aan tafel bij een Mexicaans restaurant in Heidelberg. En hij boog z’n hoofd richting z’n bord om maar aan te geven dat eten zonder handen geen doen was. Al waren krab-handen ook niet ideaal.
Ander voorbeeld: de rest van je leven op sokken lopen of drie vingers missen?
Soms had hij alle opties van z’n nieuwe dilemma zelf al lang en breed doorgenomen. ‘Welke superpower zou je willen hebben?’, vroeg hij. Ik had drie keuzes: vliegen, onzichtbaar zijn of infraroodogen, zodat je overal doorheen kon kijken. Nog voor ik antwoord gaf, zette hij de voor- en vooral nadelen uiteen. Vliegen is leuk, maar de slechtste keuze. ‘Zodra iemand je ziet, ben je de pineut. Dan zetten ze je vast en gaan ze onderzoek doen enzo, om te kijken hoe het kan dat je kan vliegen. Dus leuke superpower, maar je hebt er niks aan.’ Onzichtbaar zijn viel ook af, want ging je naar de bank om die te beroven, dan zagen ze jou misschien niet, maar zweefde er dus wel mooi een stapel bankbiljetten langs de toonbank.
Nee, de keuze was infraroodogen. Koen: ‘Ik zou dan alleen maar gaan pokeren. Kijken wat je tegenstanders aan kaarten hebben, kijken wat er op de stapel ligt, en miljonair worden.’
Ondertussen verruilden we regenachtig Duitsland voor de Nederlandse miezer. Toen we Amsterdam naderden, zagen we in de verte al de Rembrandttoren.
Eind van de middag scheen de zon.

 

No more articles